The end… Of toch niet

Tadaah!!! Mijn twaalfde en ook al meteen mijn laatste blog. Wat ik geleerd heb, wel, veel meer dan ik had verwacht. Een voordeel aan het schrijven van je eigen blog is dat je zelf je leerstof mag kiezen. Leerstof in de zin van “waar wil ik het over hebben en vooral, waar wil ik veel meer over te weten komen”. Door de informatie steeds zelf op te zoeken denk ik dat ik meer heb onthouden en bijgeleerd dan als ik de stof gewoon had te lezen en te leren. Tijdens de laatste les van afgelopen week sloten we dit vak af met een slotdebat, waar iedereen nog eens goed zijn of haar mening over het gebruik van nieuwe media in de journalistiek in de groep kon gooien. Mijn laatste blog vormt dan ook een soort verslag van dit debat.

Digitale media brengen heel wat voordelen met zich mee. Dankzij digitale media heb je e-loketten van overheidsdiensten, online nieuws, miljoenen e-boeken, artikels en video’s in slechts een klik op de muisknop. Studenten vormen tegenwoordig facebookgroepen om te overleggen over taken, grootouders skypen met hun kleinkinderen en uit het oog verloren vrienden en kennissen zijn nog maar een vriendschapsverzoek op Facebook van je verwijderd. Foto’s, video’s, cartoons kijken, radio en muziek beluisteren, alleen of samen spelletjes spelen, je doet het allemaal via digitale media. Je zoekt en solliciteert voor een job via internet. Je verlengt je boeken, doet mee aan een stemtest, vult een enquête in of je pakt het meteen grondig aan en zet een revolutionaire lente mee in gang. Tegenwoordig kan alles via het internet.

In de journalistiek spelen die nieuwe media ook een belangrijke rol. Of ze een positieve of negatieve invloed hebben, daar zijn de meningen dan weer over verdeeld. Zo zien sommigen de sociale netwerken Twitter en Facebook als persorganen. Uit het onderzoek “The New Normal for News,” van Oriella PR Network, bleek dat Twitter door 59% van alle journalisten wereldwijd gebruikt werd in 2013, dat is een stijging van 11% procent ten opzichte van het jaar daarvoor. De studie bekeek 500 journalisten in meer dan 14 landen. In Canada, Frankrijk en de Verenigde Staten werd Twitter het meest gebruikt op professionele wijze. Wat in het slotdebat wel door bijna iedereen beaamt werd was dat het gebruik van sociale media mag worden aangemoedigd. “Het is er dus maak er dan ook gebruik van, en liefst of verschillende manieren”, “wie geen sociale media gebruikt loopt achter” en “het is een meerwaarde om journalisten van verschillende kranten te volgen, zo krijg je een uitgebreid beeld van de verschillende standpunten.” Toch raadde bijna iedereen aan om er voorzichtig te werken om foute te vermijden. Sommigen vinden het net goed dat breaking nieuws enorm snel openbaar verschijnt, ondanks de beperkte informatie. Anderen wachten liever op een uitgebreid en afgewerkt nieuwsartikel. Zij willen kwaliteit boven snelheid.

Burgerjournalistiek

Zijn burgerjournalisten concurrenten van beroepsjournalisten? Of vormen ze een meerwaarde voor het vak? En kunnen burgerjournalisten de professionele vervangen? Al deze vragen kwamen aan bod in ons slotdebat. Velen, waaronder ikzelf, waren van mening dat de term “burgerjournalist” te snel gebruikt wordt. Iedereen heeft een mening over iets en iedereen kan foto’s, beelden en verslagen maken, maar daarom ben je nog geen journalist. Er is wel degelijk een verschil tussen gewone beelden en statussen en burgerjournalistiek. Andere studenten vonden burgerjournalistiek een meerwaarde: “In deze tijd van crisis op de redacties is elke extra en vooral gratis bron meer dan welkom.”

Wat ik concludeer uit het slotdebat en waar ik het ook volledig mee eens ben is dat de kwaliteit van de journalistiek niet verminderd is, ondanks vele menen dat het wel het geval is. Wij vinden eerder dat de kwaliteit gewoon verandert. Volgens Pol Deltour, nationaal secretaris van de Vlaamse Vereniging van Journalisten, is er nog toekomst voor de journalist: “Ik verwacht geen survival of the fittest. De toekomst voor de professionele journalistiek is verzekerd omdat professionele journalisten, veel meer dan burgerjournalisten, in staat zijn een synthese en een selectie te maken”. De kwaliteit en de final touch van een journalist zijn net datgene dat het vak zo aantrekkelijk maken en dat zal altijd zo blijven.

Bronnen:

Wat brengt de toekomst?

Hoe volg jij het nieuws? De krant, tv, radio of sociale media? Of beter nog, is de manier waarop je het nieuws volgt veranderd gedurende het afgelopen jaar? Want als we een ding geleerd hebben uit deze blog is het dat de media van tegenwoordig voortdurend veranderen.

Op digitaal dieet gaan is geen optie. De trein bolt en je springt er op of je bent niet mee – Kris Sierens, managing partner BeforeTheHype

european_journalism_study_pic

Afgelopen week kregen we een gastles van Frank De Graeve, een ex-journalist. Hij kwam ons nog eens in een beknopte versie uitleggen wat de nieuwe media inhoudt en wat de trends zijn voor 2015. En natuurlijk hoorde daar cijfers bij. Zo werd nog maar eens duidelijk dat Twitter steeds populairder wordt onder de journalisten. Uit een enquête van 2012 rond het gebruik van sociale media bij Belgische journalisten blijkt dat Twitter een enorme sprong heeft gemaakt. In 2010 maakte slechts 18% professioneel gebruik van dit sociaal netwerk, twee jaar later in 2012 was dat al 51%. Wat nog meer bekeken en gebruikt wordt is dat andere sociale netwerk, Facebook, dat in 2012 maar liefst door 64% van de journalisten werd gehanteerd, eveneens een stijging van 38% op twee jaar tijd. Niet alle websites worden daarom steeds populairder. Wikipedia zakte van 86.5% naar 67 procent en Youtube ging er 19% op achteruit (nog 58% in 2012 ten opzichte van 77% in 2010).

Kunnen social media de journalistiek verbeteren? Bijna de helft van de journalisten zegt van niet (46%) en slechts 2% denkt wel dat ze gebruikt kunnen worden als bronnen. Een kleine 18% vindt dat sociale media ook wel goed is om nieuwe feiten aan de man te brengen. Dit vind ik toch wel heel eigenaardig. Hoewel bijna elke journalist toegeeft dat ze social media gebruiken, zeggen een groot deel ervan toch dat deze nieuwe media niks verbetert aan de journalistiek. Waarom gebruiken ze het dan wel? Of durven ze gewoon niet toegeven dat ze erg veel tijd spenderen op sociale media?

Trends voor 2015

Volgens trendwatchers zal de gedrukte pers nooit volledig verdwijnen. Haar rol zal gewoon veranderen. Mensen die de krant kopen zullen dat niet meer doen om te weten te komen wat er allemaal gebeurd is. Dat weten ze namelijk al van de dag ervoor op internet en sociale media. Als mensen de krant kopen zal dat eerder zijn om meer diepgang te krijgen. Hoe is dat gebeurd? En waarom is het kunnen gebeuren? Krantenlezers die op zoek zijn naar meer kwaliteit zullen steeds de traditionele media blijven lezen.

We willen allemaal—dus niet enkel de digitale immigranten van 40 jaar en ouder—ook blijven genieten van het analoge leven – Herman Konings, trendwatcher

In de gastles van Frank De Graeve kregen we ook nog te horen welke trends deze ex-journalist voorspelt voor het volgende jaar. Een van de trends waar ik toch wel zeker even wil bij stilstaan is die van “Bye bye deadlines”. Volgens De Graeve zullen deadlines in de journalistiek stilaan verdwijnen. Dit proces is al volop op gang. We zijn ondertussen al gewend geraakt aan de constante stroom van informatie. Deadlines worden dus op een andere manier gebruikt. In plaats van dat de gebruikte technologie bepaalt wanneer een stuk wordt gepubliceerd, zal een stuk meteen worden gepubliceerd als het klaar is. De traditionele deadlines zullen dus verdwijnen, maar er moet worden gewerkt aan een doorlopende stroom van informatie.

Een andere trend volgens De Graeve is: “Check, Publish, Dubbel-check”. Door de snelheid van nieuwe media komt “sloppy journalism” steeds vaker voor. De druk om nieuws als eerste te brengen is erg groot. Hierdoor zijn er steeds meer foutjes en slordigheden terug te vinden in berichten. Journalistiek moet echter nog steeds correct blijven. Er bestaat geen excuus om elk gerucht te publiceren en na de publicatie pas te ontdekken dat het om foutieve informatie ging. Dit kan grote gevolgen hebben voor alle betrokken personen, ook voor de journalist. Een iets minder positieve trend dus.

De media ondergaan grote veranderingen. Als je gewoon al denkt aan de lancering van de iPad een vijftal jaar geleden. Ik weet nog dat ik toen mijn bedenkingen had over het nut ervan, “als iedereen toch al een smartphone had”. Ondertussen heeft bijna elke treinreiziger die me ’s morgens naar Brussel vergezelt een tablet, kunnen de allerkleinste kinderen er al mee spelen en hebben we thuis zelfs een tablet. Technologie blijft me verbazen en ik ben benieuwd tot wat ze nog allemaal in staat is.

Bronnen:

  • De Graeve, F. (2014). Journalistiek in 2015. [PowerPoint-presentatie]. Geraadpleegd via https://cygnus.cc.kuleuven.be
  • Quadrant Communications (2013). Frank De Graeve.

Iedereen moet mee!

Het is vandaag al tijd voor mijn tiende blog over nieuwe media. Mijn vorige blogs wezen meestal op het nut en de hulp die nieuwe media voor ons kunnen betekenen. Vandaag heb ik het over e-inclusie, dat er nog maar eens op hamert dat het belangrijk is voor iedereen om goed deel te kunnen nemen aan de gedigitaliseerde samenleving.

banner-education-05

De media helpen de mensen om meer zelfredzaam te zijn en maken het gemakkelijker sociale contacten aan te gaan en te onderhouden. Ook zorgen ze voor ontspanning en vermaak. Maar het is niet voor iedereen vanzelfsprekend dat ze kunnen participeren in dit gedigitaliseerde deel van de samenleving. Denk maar aan ouderen of mensen met een verstandelijke beperking. Toch wordt het in onze maatschappij wel verondersteld dat iedereen om kan gaan met de nieuwe technologie. Als een burger optimaal kan participeren in de samenleving is er sprake van inclusie. Het optimaal participeren binnen onze gedigitaliseerde samenleving noemen we dan e-inclusie.

De druk om mee te gaan in het gebruik van digitale media neemt systematisch toe. Je moet mee, of je wilt of niet. Van een vrije digitale keuze is in de Vlaamse maatschappij quasi geen sprake meer. Volwaardig participeren in het onderwijs, cultuur, politiek of arbeid wordt zo goed als onmogelijk als je geen gebruik kan maken van digitale media. De optimale e-inclusie is nog niet bereikt en daarom bevinden we ons nu in een digitale kloof. Over die digitale kloof heb ik het enkele blogs geleden al gehad. Bepaalde mensen kunnen niet volledig deel uitmaken van deze digitale maatschappij. Ze worden geconfronteerd met een structureel tekort aan financiële middelen, ervaren een gebrek aan kennis en vaardigheden, krijgen te weinig positieve stimulansen of worden onvoldoende ondersteund bij hun gebruik. Doordat de digitalisering ondertussen voor ons een routine geworden is en voor anderen niet, worden ze nog meer uitgesloten. En daardoor worden ze nog sterker en sneller naar een leven aan de rand van de maatschappij geduwd.

Uit een onderzoek van de FOD Economie (2012) blijkt dat 78% van de huishoudens beschikt over een internetverbinding thuis. Twee op de tien huishoudens heeft dus geen internetverbinding. Dit zijn vooral geïsoleerde volwassenen of huishoudens zonder kinderen. Zij vinden internet thuis niet nuttig (43 %), het materiaal te duur (29 %) of geven aan niet over voldoende vaardigheden (28 %) te beschikken. In België ligt de digitale kloof lager dan in de rest van Europa. 15% van de Belgen heeft nog nooit het internet geraadpleegd ten opzichte van 23% in de rest van Europa. Er zijn grote verschillen vast te stellen naargelang de generaties: minder dan 3 % van de 16-24 jarigen heeft in ons land nog nooit internet geraadpleegd, terwijl dit percentage stijgt tot 51 % bij de 65-74 jarigen. De Belgische ondernemingen zitten ook volop op het net. Maar liefst 97% van de ondernemingen is verbonden met het internet. Om werk te vinden moet een sollicitant dus zeker kunnen werken met computers.

In een Memorandum voor een Mediawijze en e-Inclusieve Samenleving (2014) staan alvast enkele uitdagingen om de participatie bij iedereen te verhogen. Ten eerste pleit men voor blijvende aandacht voor toegang. Ook zijn er goede begeleiders nodig die de verschillende doelgroepen (denk aan jongeren, ouderen, allochtonen,…) elk op een specifieke manier helpen. Dit is allemaal gemakkelijk gezegd, maar minder gemakkelijk gedaan. Volgens mij is dit een bijzonder belangrijk probleem. In onze tijd moet iedereen de kans krijgen om met internet te kunnen werken of het in ieder geval te leren. Maar jammer genoeg lijkt het mij ook een onmogelijke klus om iedereen te bereiken. De integratie van ICT in het onderwijs is wel al een grote stap vooruit, maar de weg is nog lang.

Bronnen:

Digitale armoede, zelfs bij ons!

Wij zijn rijk. Rijk aan informatie. Doordat wij de luxe hebben om elke dag enkele minuten tot uren wat op het internet te surfen, kunnen wij meegenieten van een rijkdom aan informatie. Het internet zorgt echter wel voor een kloof tussen information haves en have-nots. Wij, diegene nu of straks online zitten te surfen zijn de informatierijken, maar er zijn ook veel mensen die amper of geen voordeel kunnen halen uit de verschillende vormen van de nieuwe technologie en dit veroorzaakt een nieuwe kloof: de digitale kloof.

digital-divide-india1157-620x354

Digital divide

De digitale kloof is al sinds 1999 prominent aanwezig in het ontwikkelingsdiscours van de arme landen. Velen denken dat als deze kloof zou verminderen of verdwijnen ook de traditionele problemen van armoede, gezondheid, tewerkstelling, onderwijs en sociale gelijkheid aanzienlijk zullen verminderen. Een onderzoeksrapport van de Nederlandse universiteit van Twente toont nog maar eens aan dat ongelijkheid in de toegang tot ICT niet losstaat van de andere maatschappelijke ongelijkheden. “Als de ongelijkheid in de samenleving in sociaal, economisch en cultureel opzicht toeneemt, dan geldt dit ook voor ongelijkheid in de toegang tot ICT” (van Dijk, 2003).

Als ik een oplossing voor dit probleem moet zoeken, kies ik voor de mening van Van Dijk (2003) die vindt dat de vorm van beleid die deze specifieke vorm van ongelijkheid zou willen bestrijden, zich op meer zal moeten richten dan alleen de toegang tot en het bezit van ICT. Bestrijding van ongelijkheid in de informatie- en netwerksamenleving moet zich ook richten op vaardigheden en het gebruik van ICT. Bovendien moet dat beleid ingezet worden in alle maatschappelijke contexten. Volgens een Vlaams onderzoek van Ilse Mariën (2010) moet de overheid zorgen voor de uitwerking of de oprichting van een netwerk voor kennisdeling en samenwerking. De integratie van ICT in het onderwijs is wel al een grote stap vooruit.

Vlaamse surfers in cijfers

Uit een onderzoek van Eurostat (2008-2009) bleek dat op dat moment 75% van de Vlaamse huishoudens thuis een computer had en 73% een internetverbinding. Er vond een stijging plaats, maar in vergelijking met andere Europese landen blijft onze internetpenetratie laag in Vlaanderen. Zo heeft hadden onze noorderburen in Nederland een verspreidingsgraad van 90%. De belangrijkste reden hiervan is dat onze kostprijs drie maal hoger is dan die van de Nederlanders. Er was verder ook een enorm verschil tussen internetgebruik van jongeren en 60-plussers. Maar liefst 88% van de Vlaamse jongeren gebruikte internet ten opzichte van 13% van de 60-plussers (Moreas, 2007). Het gebruik verschilde eveneens in grote mate naargelang het opleidingsniveau. Laaggeschoolden maakten er minder gebruik van. Slechts 45% van de laagopgeleiden gebruikten gedurende drie maanden van het onderzoek het internet tegenover 92% van de hoogopgeleiden. Er was wel sprake van een inhaalbeweging want cijfers van 2007 toonden nog 16% laaggeschoolden die het internet gebruiken versus 91% hooggeschoolden. De kwetsbare doelgroepen zoals mensen in armoede, mensen met een laag inkomen, laag opleidingsniveau liepen het meeste risico op uitsluiting. Zij zaten achterop op het vlak van bezit, gebruik en vaardigheden. Zo zie je maar dat de digitale kloof zelfs al duidelijk terug te vinden is een onderzoek in het oh-zo-kleine Vlaanderen.

Netgeneratie

stk_baby_laptop

De term “netgeneratie” wordt gebruikt om te verwijzen naar de jongeren die geboren zijn in het digitale tijdperk en bijgevolg doorheen hun hele leven blootgesteld zijn aan nieuwe media. Hierbij wordt verondersteld dat deze jongeren automatisch over de nodige vaardigheden beschikken omwille van hun gediversifieerd en intens gebruik van nieuwe media in het algemeen (Hargittai, 2010). Maar kan dit wel? Bestaat deze netgeneratie wel echt? Want alleen al in Vlaanderen heeft niet iedereen van mijn generatie en de ondertussen al jongere generaties de kans om veel gebruik te maken van nieuwe media. En inderdaad, veel onderzoeken hebben al aangetoond dat de netgeneratie niet zo digitaal vaardig is als werd verondersteld (Aarsand, 2007; Livingstone & Helsper, 2007; Lee, 2008; Brotcorne et al., 2009; Selwyn & Facer, 2009; van Deursen & van Dijk, 2009; Brotcorne et al., 2010; Hargittai, 2010). De digitale kloof zorgt er hier ook voor dat er veel verschillen zijn op vlak van intensiteit en diversiteit.

Volgens de studie van Van Dijk zal de digitale kloof nooit gedicht kunnen worden, zelfs niet enkel in België en Nederland. De kloof zal zich dan verplaatsen en er eentje worden tussen mensen die ICT en informatie kunnen inzetten voor het verbeteren van de eigen positie, en mensen die dat niet kunnen. Er zal dus eerder sprake zijn van een “gebruikskloof”. Denk jij dat de digital divide stilaan zal verdwijnen in België of overal ter wereld of heb jij ook eerder bedenkingen?

Bronnen:

  • Brotcorne, P., Mertens, L., & Valenduc, G. (2009). Offline jongeren en de digitale kloof. Over het risico op ongelijkheden bij ‘digital natives’. Brussel: POD Maatschappelijke Integratie FTU Fondation Travail-Université, Centre de Recherche Travail & Technology.
  • Hargittai, E. (2010). Digital Na(t)ives? Variation in Internet skills and uses among members of the “Net Generation”. Sociological Inquiry, 80(1), 92-113.
  • Livingstone, S., & Helsper, E. (2007). Gradations in digital inclusion: Children, young people and the digital divide. New Media & Society, 9, 671-696.
  • Mariën, I., Van Audenhove, L., Vleugels, C., Bannier, S., & Pierson, J. (2010). Digitale kloof van de tweede graad in Vlaanderen. Brussel: Onderzoeksrapport voor het Instituut Samenleving & Technologie (IST).
  • Moreas, M.-A. (2009). ICT in Vlaanderen, internationaal vergeleken. Brussel: Vlaamse Overheid, Studiedienst Vlaamse Regering (SVR).
  • Van Deursen, A. J. A. M., & Van Dijk, J. A. G. M. (2009). Using the Internet: Skill related problems in users’ online behavior. Interacting with Computers.
  • Van Dijk, J. A. G. M. (2003). De digitale kloof wordt dieper. Van ongelijkheid in bezit naar ongelijkheid in vaardigheden en gebruik van ICT, Den Haag/Amsterdam, Infodroom en SQM.

Cyberpesten door de Staat

Ik beken, ik ben een voorstander van sociale netwerken zoals Facebook en Twitter en ik geloof dat deze netwerken op veel plaatsen ter wereld voor meer inspraak van de bevolking hebben gezorgd. Ik moet toegeven dat dit echter niet overal het geval is. In mijn vorige post had ik het nog over de gecensureerde Chinese variant van Twitter, Sina Weibo. Maar de sociale netwerken hebben ook al hun nut bewezen in positieve zin. Hierbij denk ik aan de Arabische Lente, de revolutie in Tunesië, waar Facebook en Twitter een belangrijke rol speelden om mensen samen te roepen, op straat te brengen en ze te laten protesteren. Dit verschijnsel wordt ook wel “online activisme” genoemd. Ondanks hun grote invloed in de Arabische Lente denk ik dat online activisme slechts succesvol kan zijn als het gezien wordt als een aanvulling van traditioneel activisme en kan het de traditionele vorm van activisme niet vervangen. Internet kan macht geven, maar als de Staat websites censureert geeft internet nog meer macht aan de machtigen, ten koste van de zwakkeren (Morozov, 2011).

Iran

Nog een apart geval is het Zuidwest-Aziatische Iran. Ook hier is er een cyberpolitie die het internet uit het Westen probeert te onderscheppen. Wie in Iran verkeerde dingen zegt op het internet kan te maken krijgen met die cyberpolitie. Het is een eenheid die in 2011 werd opgericht om online de strijd aan te gaan met het Westen en zijn ‘handlangers’ in de islamitische republiek. Sociale netwerken worden regelmatig geblokkeerd, want ze vormen een gevaar voor de samenleving volgens de autoriteiten. “We worden gedwongen om websites te blokkeren, de mensen zijn niet klaar voor zoveel vrijheid”, luidt het in Iran.

Ook in Iran ontstond er een opstand in 2009, maar met minder grote gevolgen als die van de Arabische Lente. Deze “revolutie” kreeg eveneens veel media- en andere aandacht. Het gevolg van deze protesten was dat de autoriteiten sinds toen de toegang tot sociale netwerken regelmatig blokkeren. Er waren nog wel veel Iraniërs die twitterden en blogs schreven om te protesteren, maar het probleem was hier dat een groot deel van die bloggers zelf niet of niet meer in Iran woonden. Deze sites werden daarbovenop ook nog snel geblokkeerd. Bovendien bestond er nog een conservatief en religieus netwerk, dat ook veel succes had in het land zelf en de mensen verkeerde ideeën gaf over internet.

cyber-gang-arrested-for-making-bogus-doctors-architects

De internetontwikkeling in Iran gaat er precies wel wat op vooruit, zo lijkt het op het eerste zicht. In 1996 hadden er slechts 2000 mensen toegang tot het internet. Tien jaar later waren dat er al 11 miljoen en uit de laatste cijfers van 2011 blijkt dat al 35 miljoen Iraniërs internettoegang hebben. Dat lijkt veel, zeker in vergelijking met België, waar we slechts met 11 miljoen inwoners zijn, maar een land als Iran telt maar liefst een kleine 80 miljoen inwoners. Dat wil dus zeggen dat slechts een kleine 44% van de bevolking op het internet kan. Deze “gelukkigen” kunnen dan wel nog niet op alle websites. Vele pagina’s zijn geblokkeerd. Als ze vals spelen door via een VPN-software wel op bijvoorbeeld Facebook te raken moeten ze opletten voor de cyberpolitie, die zich voordoen als leuke meisjes en daarna de “misdadigers” arresteren. Enkele dagen geleden maakte de huidige Iranese minister van Telecommunicatie bekend dat ze met een systeem komen waarbij elke internetgebruiker geïdentificeerd zal worden van zodra hij verbinding maakt. De sociale media zullen vanaf dan niet meer volledig geblokkeerd worden, maar de inhoud ervan zal wel gefilterd zijn, zoals bij Sina Weibo in China.

Wat ik hieruit kan concluderen: Uit een onderzoek in 2009 blijkt dat er op dat moment al 70 000 bloggers actief waren in Iran, of in ieder geval afkomstig uit Iran. Het bloggen en het internetgebruik zetten dus een stapje vooruit in de goede richting. Toch ondervindt de bevolking nog heel wat moeilijkheden door de controle van de regering en de censuur. Ja, ze krijgen binnenkort waarschijnlijk toegang tot Facebook en Twitter, maar ze krijgen enkel de informatie die goed klinkt in de oren van de Staat. Van vrijheid en vrije meningsuiting is hier dan volgens mij helemaal geen sprake, het is gewoon een andere, moderne vorm van censuur.

Bronnen:

De WWW-democratie

Versterkt het internet de democratie of toch niet? Wat zeker is, is dat de democratie na het internet een andere is dan die van voor het internet. Het biedt ongekende mogelijkheden zoals de uitwisseling van informatie en ideeën. Maar hoe groot is de impact hiervan op de democratie?

De term “digitale democratie” slaat op het gebruik van nieuwe media om de politieke participatie te verhogen. Het internet heeft ervoor gezorgd dat er veel meer democratische mogelijkheden bestaan, denk maar aan Twitter en Facebook, waar iedereen vrij is om zijn of haar mening te delen met de hele wereld. Deze netwerken zorgen eveneens voor een herdefiniëring van de participatie van de burgers in het politieke proces.

De zogenaamde e-participatie benadrukt de rol van internet bij het verhogen van de politieke participatie. Het is een wijze waarop burgers gemakkelijker kunnen verbinden met de overheid en andere belanghebbenden, zoals welzijnsorganisaties, corporaties, jongerenwerkers enzovoort. Bij gemeenschapsnetwerken bijvoorbeeld worden burgers via informatie- en communicatietechnologieën betrokken bij onderwerpen zoals het verbeteren van de leefbaarheid of het maken van een plan voor inrichting van de openbare ruimte. Ook kan door e-participatie de onderlinge betrokkenheid van bewoners en hun organisatievermogen versterkt worden (sociale participatie). Een voorbeeld van zo een website is de Nederlandse “Verbeter de buurt”, een pagina voor meldingen en verbeteringen in de openbare ruimte.

Great firewall of China

Er zijn jammer genoeg nog veel landen waar het internet niet de kans krijgt om de democratie te versterken. Het bekendste voorbeeld dat ik kan bedenken is China, waar enorm veel websites geblokkeerd zijn voor de bevolking. Volgens de overheid komen de sites niet overeen met hun kijk op de wereld. Youtube, Picasa, Facebook, Twitter, Blogspot, WordPress enzovoort zijn allemaal gecensureerd voor de Chinese bevolking. Dit jaar kwamen daar ook nog eens Gmail, Google Maps en dropbox bij. Gelukkig bestaat er wel een Chinese versie van Twitter: Sina Weibo. Het platform heeft ongeveer 400 miljoen geregistreerde gebruikers die dagelijks 100 miljoen berichten versturen. Ondanks het een equivalent is van het Amerikaanse Twitter, is er een heel opvallend verschil tussen de twee, namelijk censuur. Dagelijks zijn er een duizendtal censors bezig om de berichten te monitoren. Het gevolg is dat het soms een week kan duren vooraleer een bericht dat via Sina Weibo verstuurd wordt de buitenwereld bereikt. Dagelijks worden er naar schatting 10 miljoen berichten verwijderd door de censors. Ook de communistische partij in China zit op Sina Weibo. Zij huurt sympathisanten in die procommunistische berichten moeten verspreiden. De sympathisanten worden het 50-cent-leger genoemd omdat ze voor elke post 50 yaung-cent (ongeveer 5 eurocent) krijgen.

Naamloos

Het internet heeft geleid tot het ontstaan van nieuwe sociale bewegingen, waaronder burgerjournalistiek. Maar, vormt het internet een ‘technology of freedom’ en zal er zich een wereldwijde kwalitatieve groei voordoen op vlak van de vrije meningsuiting? Dat valt nog af te wachten.

Bronnen:

Info gezocht! En gevonden!

Elke dag lezen we nieuws in de krant en het internet of bekijken we het op televisie. Journalisten zijn een hele dag bezig met deze informatie te verzamelen, maar waar komt die informatie vandaan? Nieuwsgaring is een van de belangrijkste processen van de journalistiek. Journalisten besteden dan ook maar liefst 43% van hun werktijd aan onderzoek.

De Duitse journalisten Machill en Beiler voerde in 2009 een onderzoek uit waaruit bleek dat journalisten hun bronnen amper checken. Slechts 7,9% van de handelingen worden nagecheckt, wat overeenkomt met amper 11 minuutjes per dag. Vier jaar geleden testten de televisiemakers van Neveneffecten dit nog eens uit. Hierbij vielen enkele Vlaamse kranten ook door de mand. In het tv-programma Basta verzonnen de jongens twee verhalen die ze naar kranten en persbureaus opstuurden. Eén daarvan haalde bijna alle kranten en websites, het tweede werd ontmaskerd. Het filmpje kan je hier nog eens bekijken. De journalisten zeggen dat ze meestal steunen op gekende bronnen, maar dat er al eens een probleem kan opduiken door de tijdsdruk waar ze dagelijks mee te maken hebben.

Ze steunen dus meestal op gekende bronnen? Waar zoeken en vinden ze die dan? Wel, volgens datzelfde Duitse onderzoek besteden journalisten gemiddeld 1 uur en 53 minuten per dag aan opzoekingswerk zonder computer, 1 uur en 18 minuten per dag op de computer en 24 minuten aan nieuwsagentschappen. Na mijn stage bij Het Belang van Limburg vorige zomer kan ik bevestigen dat ik daar ook vooral moest telefoneren naar bronnen. Ook de andere tijdsbesteding kwam ongeveer overeen met de resultaten van het onderzoek.

Impact internet

Het internet wordt meer gezien als een soort archief waar snel gegevens gevonden kunnen worden, naslagwerken geraadpleegd kunnen worden en om andere media te volgen. Het blijft dus beperkt tot e-mailen, googelen en surfen naar andere bekende websites. Uit een Nederlands onderzoek (van Heeswijk, 2007) blijkt dat 99,4% (eigenlijk iedereen) van de ondervraagden vindt dat internet het journalistieke werk gemakkelijker maakt. Dit is zeer goed nieuws. Maar hier is die zo gevreesde “maar” weer. Met de komst van het internet is de druk op journalisten toegenomen en is volgens de helft van de ondervraagden de kwaliteit van de journalistiek erop achteruit gegaan. Uit een survey bij Belgische journalisten in 2013 blijkt dat ondertussen al 56% van de journalisten vinden dat de kwaliteit daalt, onder meer doordat het gebruik van kant-en-klaar aangeleverd nieuws steeds toeneemt.

Betrouwbaar of niet?

Op het internet vind je veel, heel veel. Van rapporten van nationale en internationale instellingen tot statistieken van de nationale bank, persberichten en de archieven van alle kranten in de wereld. Er staat natuurlijk ook een hele hoop waardeloze en foute informatie online. Heel wat bronnen zijn dan ook dubieus. Het is heel voornaam van erg sceptisch te zijn over elk citaat. Kijk maar naar de afbeelding hieronder die circuleert op sociale media.

auto-329931

Ook is het een goed idee van meerdere zoekmachines te gebruiken. Het populaire Google dekt slechts 20 à 30% van het zichtbare internet. Ook blijkt de overlap tussen verschillende zoekmachines niet zo groot te zijn dan ik dacht. De overlap tussen de 3 grootste zoekmachines is maximaal 15%. Het loont dus zeker de moeite om verschillende zoekmachines te raadplegen voor een goed en betrouwbaar artikel neer te schrijven.

Bronnen:

  • De Vuyst, S., Raeymaeckers, K., & De Keyser, J. (2013). Journalistiek 2.0? Uitdagingen en mogelijkheden voor journalisten in de crossmediale en multimediale omgeving. Nieuwsmonitor 16, Steunpunt Media.
  • Machill, M. & Beiler, M. (2009). The importance of the internet for journalistic research. A multi-method study of the research performed by journalists working for daily newspapers, radio, television and online. Journalism Studies, 10(2), 178-2003.
  • Van Heeswijk, E. (Red.) (2007). Journalistiek en Internet 2002-2007.Technofielen of digibeten? Apeldoorn, Antwerpen: Het Spinhuis.
  • http://www.een.be/programmas/basta/kom-eens-in-de-krant